Archive for november, 2014

nov
30
2014

Tom Traubert’s Song

Zondag, dus tijd om een versnelling langzamer te gaan in het leven. Ik draai wat plaatjes, en terwijl ik van het ene naar het andere nummer associeer, beland ik bij Tom Waits. En dan vooral zijn lied Tom Traubert’s Song (Waltzing Mathilda). Die stem, die kapotte stem, en dan zo’n lied! Waanzinnig.

Dit lied vormde qua muziek de basis voor het eerste liedje dat ik zelf schreef. In 1996, voor de bruiloft van mijn oudste zus en haar man. De tekst is in de afgelopen achttien jaar verloren gegaan. Het enige wat ik me nog voor de geest kan halen, was het refrein.

Achttien jaar geleden. Ik was nog maar net tien jaar jong. Nu volgt geen freudiaanse psychoanalyse dat “het er altijd al in heeft gezeten”. Wel de nuchtere constatering dat er in die twee decennia die volgden, weinig echt is veranderd in mijn leven.

nov
29
2014

Leeuwarden

Vorige week waren mijn broers in Leeuwarden. Uiteraard was ik er zelf ook bij – ik was de gastheer van dienst. Na een gebruikelijk moment van het delen van onze levens en onze mooie muziek, liepen we door de stad. Ik liet een aantal dingen zien van de stad. De poëzieroute, de Oldehove met Pieter Jelles Troelstra ernaast. De Waalse Kerk, de Grote of Jacobijnerkerk. De leukste winkelstraat van Nederland. Het bekende werk, misschien. Maar leuk voor een algemeen beeld.

Toen ik zo door de stad liep, merkte ik hoe ik thuis was in Leeuwarden. Dit is de stad waar ik thuis hoor. Ik voel me thuis in Liwwadden.

nov
28
2014

Opnieuw streep door 4 mei-plan van de EO

ROTTERDAM – De netmanager van NPO 1 heeft een streep gehaald door een plan van de Evangelische Omroep en de Joodse Omroep om op 4 mei een theatervoorstelling op te voeren in Rotterdam. De voorstelling, die ook live op tv zou worden uitgezonden, gaat over twee Joodse families die zich tijdens de Tweede Wereldoorlog schuilhielden in een Rotterdamse kerk.

Netmanager Marcel Peek vindt het voorstel van de EO voor een “tv-spektakel” niet passen bij het ingetogen karakter van de 4 meiherdenking. “Het is een bijzonder en betekenisvol verhaal. Het is zeker de moeite waard om verteld te worden, maar het is volgens ons niet de juiste vorm voor NPO 1 op 4 mei.”

Centraal in het EO-voorstel stonden de belevenissen van twee Joodse families Kool en De Zoete. Tijdens de Tweede Wereldoorlog hielden zij zich schuil achter het orgel van de Rotterdamse Breepleinkerk. Drie weken voor het einde deden de Duitsers daar een inval, maar ze ontdekten de schuilplaats niet.

Vorig jaar werden op de orgelzolder van de Breepleinkerk voorwerpen ontdekt, die van de onderduikers waren geweest.

De EO vindt het besluit “heel erg teleurstellend”. De omroep zegt dat voor een vernieuwende vorm van theater was gekozen, waarbij op verschillende plaatsen in de stad een voorstelling zou worden gegeven.

Eerder keurde de netmanager al een EO-plan voor de opvoering van een Anne Frank-spektakel af. Dat zou op 4 mei in Amsterdam moeten worden opgevoerd.

Het Nationaal Comité 4 en 5 mei stelde ook toen dat herdenking van oorlogsslachtoffers met respect en ingetogenheid gepaard moet gaan.

Of dat nu in het nieuwe plan het geval is, weet het Comité niet. De EO heeft een mooi verhaal te pakken, maar we weten niet of de vorm passend is bij 4 mei, zegt een woordvoerder.

Joodse organisaties in Rotterdam en burgemeester Aboutaleb waren enthousiast over de plannen.

Bron: NOS.nl

nov
27
2014

Vroeger…

Je hoort het nog wel eens, “Vroeger….” Wat dan volgt is een afkeuring van de huidige tijd. Vroeger hadden we geen eens een telefoon, nu kijkt iedereen continue op zijn smartphone. Vroeger sprak men nog met elkaar, nu sturen we elkaar berichtjes. Vroeger waren we nog benieuwd hoe het met iemand was, nu vragen we waar iemand is.

Enfin.

Beweging kan ook achteruitgang zijn, zeker. Maar de huidige tijd vergelijken met die van 20, 30 jaar of nog langer geleden is niet heel erg zinvol. Want inderdaad gaan we nu anders met elkaar om dan een aantal decennia geleden; maar in die tijd gingen “we” ook al anders met elkaar dan in de decennia ervoor.

Toch?

nov
26
2014

Friese AH-borden in Groningen

10713987_757844494264069_5664929952740319665_o

LEEUWARDEN – Supermarktketen Albert Heijn heeft de verhoudingen in het Noorden een tikje verkeerd ingeschat door Friestalige borden in de hele binnenstad van Groningen te hangen. Groningers kijken al twee dagen tegen de borden aan maar dat gaat niet lang meer duren: “We gaan ze zo snel mogelijk weghalen, want Friese borden horen in Friesland.”

Toch ziet de supermarktketen ook wel een voordeel want de borden “leveren toch wel weer extra aandacht op. Ieder nadeel heeft zijn voordeel”. Er komen geen Groningse borden in stad Groningen.

Lees meer op LC.nl.

nov
25
2014

Privé-optreden

Gisteren had ik het over een privé-optreden van Bob Dylan. Het bleek te gaan om een scene in de documentaire Experiment Ensam. Die film draait om bijzondere momenten waarop iemand in zijn eentje iets beleeft wat normaal in een grote groep plaatsvindt.

Ik moet eerlijk bekennen: ik ben wel wat jaloers op de hoofdpersoon, Fredrik Wikingsson. We hebben dezelfde voornaam en dezelfde muzikale voorkeur. Maar hij heeft iets meegemaakt wat mij waarschijnlijk nooit gaat lukken: een privé-optreden van Bob Dylan.

Maar goed, vooruit. Ik houd het maar bij mijn eigen Dylan-blog.

nov
24
2014

Bob Dylan’s privé-optreden

Bob Dylan is onnavolgbaar, zelfs wanneer hij voorspelbaar lijkt. De laatste jaren toert Dylan met dezelfde setlist, avond aan avond. En dat terwijl hij bekend stond om het feit dat hij juist elk concert met een andere speellijst kwam. Maar Dylan blijft sleutelen aan zijn concerten. Bijvoorbeeld door What Good Am I? te vervangen door een herziene versie van Workingman’s Blues #2. Of All Along The Watchtower door het Frank Sinatra-nummer Stay With Me.

Gisteren kwam er nog weer een extra verassing bij. Dylan speelde drie avonden in Philadelphia. Gisteren was de afsluitende avond; ‘s middags gaf Dylan een privé-optreden voor ene Fredrik Wikingsson. Vier nummers, geen enkele van de meester zelf. Wel veel blues.

Die Bob Dylan.

nov
23
2014

Ramsj: Loekie van Maaren – Hoezo burgemeester

1001004001959495

Voor een paar centen kocht ik bij de plaatselijke kringloopwinkel het boek ‘Hoezo burgemeester’, van Loekie van Maaren. In dit boek doet zij verslag van haar Leeuwarder jaren als “eerste burger”. Het was nogal een klus om de vierhonderd pagina’s uit te lezen. Van Maaren heeft zich als schrijver niet heel erg ontwikkeld, hoewel dit al haar tweede boek is.

Enfin.

Wie wel de moeite neemt om haar “autobiografie” te lezen, zal zich in een propaganda-boek wanen. Van Maaren reflecteert in ‘Hoezo burgemeester’ nauwelijks op zichzelf. Nee, integendeel. Van Maaren is een goede burgemeester, iemand die weet wat er gedaan moet worden. De juiste vrouw op de juiste positie.

Maar ja, dan wordt je burgemeester van Leeuwarden. Een stad met die typische Liwwadders, die zich door niemand de les laten lezen. Waar de politieke sfeer verziekt is. Waar niet met, maar vooral óver elkaar wordt gesproken. Al vanaf het begin wilden de lokale bestuurders van Van Maaren af, ook collegae van haar eigen Partij van de Arbeid. Terwijl Loekie zelf geen enkele blaam treft.

Tijdens het lezen van dit boek, moest ik regelmatig denken aan een anekdote over Martin Bril, opgetekend door Greta Riemersma (van het magazine Noorderbreedte). “Ik zag haar [Van Maaren] wegrijden op de achterbank van een BMW, wat zag dat er mooi uit,’ juicht Bril.” Hetzelfde beeld komt naar voren in de column van Bril, die de volgende dag in de Volkskrant staat. “Ze zei dat ze nu naar huis ging, een Beerenburger drinken. Ze stapte in de auto. Waarom is het altijd zo mooi om een gevallen gezagsdrager achterin een auto te zien zitten? De auto gleed weg.”

Bril typeert in dezelfde column ook de wethouder met wie Van Maaren in een clinch ligt, en die haar aanviel. “Zij deed denken aan de aanklager tijdens een showproces in vervlogen tijden en landen: alles aan haar was zwartwit, maar toch droeg ze een paarse constructie en was ze voorzien van een grote, rode broche. Onder haar ogen hingen wallen. Haar stroblonde kapsel riep associaties op met een afwasborstel die zijn beste tijd heeft gehad.”

Ah, ken’t skele ju.

Van Maaren heeft een verwoede poging gedaan om haar naam te zuiveren. En daar heeft ze alle recht toe. Misschien zijn die Liwwadders inderdaad geen makkelijke mensen, en is haar kritiek op de toenmalige cultuur binnen het gemeentebestuur juist. Maar het gebrek aan zelfreflectie doet Van Maaren de das om.

Zij op de achterbank van een BMW, mooi beeld.

N.a.v. Loekie van Maaren-Van Balen – Hoezo burgemeester, Ervaringen van de burgemeester van Leeuwarden 1999 – 2001, Eerste druk Uitgeverij BZZTôH, Den Haag, 2003

nov
22
2014

Bijbelvertalingen

Hoeveel Bijbelvertalingen en -uitgaven zijn er wel niet? De Nieuwe Bijbelvertaling, de NBG-vertaling uit 1951, de Statenvertaling. Dan is er nog de Herziene Statenvertaling, de Naardense Bijbel en de Willibrord-vertaling. Verder kennen we nog ‘losse’ vertalingen van een deel van de Bijbel, zoals alleen het Oude of Nieuwe Testament of één Bijbelboek. En wat te denken van de ‘hertalingen’ zoals Het Boek. Laten we ook niet de Bijbel in Gewone Taal vergeten. En dan nog de Studiebijbels, de Jongerenbijbels en de pocket-edities.

Waar ze goed voor zijn? Om de oorspronkelijke teksten zo dicht mogelijk te benaderen – voor eenvoudige Nederlanders zoals ik.

nov
21
2014

Laudatio Kategorie “Lebenswerk”

Lieber Huub Osterhuis.

Sie haben Lieder gedichtet, Sie haben Bibeltexte neu gesprochen. Sie haben Gottesdienste zu Brücken zwischen der alten Schrift und unserem heutigen Leben gemacht. Sie lieben gerade das gesungene Wort. Sie denken im Gespräch mit Zeitgenossen über Gott nach. Immer wieder bewegt es Sie, das Geheimnis Gottes, der das Leben will und nicht den Tod, zusammenzubringen mit den Schreckenserfahrungen unserer Geschichte und unserer Welt.

Aber sind Sie ein Prediger? Über drei Elemente einer Predigt gibt es auch unter Theologen sicher keinen Streit: Sie ist Sprache. Sie ist Auslegung der Bibel. Und sie ist ein die Bibel auslegendes Wort, das leben hilft. Diese drei Dinge sind untrennbar und können uns jetzt als Schlüssel dienen, die uns Ihr Lebenswerk aufschließen.

1.

Die Sprache

Als ich Studentenpfarrer der Freiburger Hochschulgemeinde war, Ende der 60er Jahre, da suchten wir Worte, die nah an unserer Sehnsucht nach einer gerechteren Welt, nah an unseren Enttäuschungen und Grenzen, an denen wir uns stießen, und nah auch an der alten Botschaft von der Befreiung eines Menschenvolkes waren. In dieser Zeit tauchten die ersten kleinen Bücher mit Ihren Texten in deutscher Übersetzung auf: „Ganz nah ist dein Wort“, „Im Vorübergehen“, „Weiter sehen als wir sind“. Diese Texte zu lesen, uns laut vorzulesen, die niederländische Herkunft herauszuhören, diese Texte schließlich auch zu singen – viele so einfach wie Volkslieder – das machte uns damals jede Gottesdienstvorbereitung zu einer Reise voller Entdeckungen. Zu einer Freude, die uns erfrischte und ahnen ließ, was eine Liturgie eigentlich sein kann. Wir besuchten damals sogar einen Ihrer Studentengottesdienste in der Dominikuskerk in Amsterdam, an dessen Ende die Mauern dieser großen Kirche zu tanzen begannen, als wir alle sangen: „Uns ist eine Stadt gebaut. Überall um uns her Häuser aus Licht und Stein“, „Het lied van de stad“.

Was ist an Ihrer Sprache, dass sie eine solche Wirkung auf uns ausübte? „Man kriegt neue Ohren, glückliche Ohren“, so drückte es einer Ihrer Hörer vor einem Jahr in Freiburg aus. Ihre Sprache machte uns weit und erfüllte uns mit einer Hoffnung. Wie wenn wir einfach wussten, dass trotz der Erfahrungen von so viel Unrecht in unserer Mitte, trotz der Politik der unversöhnten Blöcke, trotz einer Kirche, die uns viel zu langsam und zögerlich vorkam bei ihrer Öffnung durch das Konzil, dass es trotz all dem eine ungeahnte Freiheit gab, einen Ruf Gottes aus all dieser Gefangenschaft heraus, einen Ruf, der ganz sicher keine Täuschung war.

Was ist an Ihrer Sprache, dass sie diese Wirkung damals auf uns ausübte und heute noch ausübt? Es ist eine poetische Sprache, die bekannte Worte in ungewohnte Zusammenhänge bringt und mit wenigen Andeutungen Bilder vor dem inneren Auge erstehen lässt, die zum Schauen, zur Kontemplation, zum Nachdenken einladen und die zugleich Lust machen, die eigene Sprache zu finden und zu erfinden. Es ist eine Sprache, die vom Licht nie spricht, ohne das Dunkel zu nennen, von der Sehnsucht niemals ohne die Erstarrung zu bekennen. Ihre Sprache ist immer eine, die sich von den unauflöslichen Widersprüchen in den Dingen herausfordern lässt. Und die in der Ansprache, in der Anrede eines geheimnisvollen Gegenübers sich die Gewissheit holt, bei den unauflöslichen Widersprüchen bleiben zu können, ohne von ihnen erdrückt zu werden. Es ist eine Sprache, die ihre Worte in der alten Überlieferung findet und die Bilder der Bibel beschwört. Aber jetzt – in Ihren Worten – sind sie bestürzend fremd. Ist das noch die Bibel, die wir kennen?

2.

Die Bibel also:

Sie stellen sich in den letzten Jahrzehnten immer deutlicher in die jüdische Tradition des „Lehrhauses“. Sie stellen sich in den lebendigen Strom der Menschen, die einander die alten Geschichten erzählen: von der Befreiung aus dem Sklavenhaus, von dem Wasser in der Wüste, von dem Volk, das den Propheten nicht glaubt, und von den Menschen, die doch tastend immer weitergehen. Sie verflechten die Fäden der geschriebenen und der heute gelebten Geschichten. Und Sie tun das wie einer von denen, die die Bibel als Autoren nennt: wie der singende David, wie der seine Verzweiflung und sein Nichtverstehen ausrufende Hiob. Sie tun es wie die Beterinnen und Beter der Psalmen.

Ihr Thema ist immer und immer wieder die Frage nach Gott, die kein Buch, kein Gedanke, keine Rede je beantwortet und die nur im geheimnisvollen Gegenüber als Frage Gottes nach dem Menschen gehört werden kann. Viele, auch wir selber, fragen immer wieder: wie kann Gott das zulassen: Dieses Kind, dem Gewalt angetan wird; diese Frauen, die verletzt werden; diese Entwicklungshelfer und Journalisten, deren Enthauptung veröffentlicht wird. Was ist das für ein Gott, der das zulässt? Mitten in diesen Abgründen hören Sie nicht nur die verzweifelte oder auch die ironische Frage nach Gott, sondern Sie hören zugleich in den Liedern, den Gebeten und Erzählungen Israels die flehentliche Bitte Gottes an die Menschen, dass sie sich doch einander zukehren mögen. Gott lebt, indem er nicht ablässt, Menschen zu umwerben.

Der mich umwirbt,

den ich hab abgewehrt,

solang es ging.

Der mich nicht zerrte,

nicht drängte, nur winkte

über die Schwelle.

Der den Schleier meiner Angst

nicht fortriss, nur aufhob.

(„Ich steh vor dir, Freiburg 2004, 69)

Frauen und Männer sollen sich zutrauen, einfach nur Menschen zu sein, voll Verlangen zu leben, voll Fürsorge für die Erde. Sie sollen einander kennen und mit Namen nennen. Nicht mehr. „Ein Kind von Menschen“ sein, „eins davon und eins mit allen, groß und nichtig, wehrlos, frei“. (Ebd., 183)

So ein Mensch ist Jesus von Nazareth. Sie geben ihm immer neue Namen, mit denen Sie ihn einreihen in unsere uralte Geschichte, ihn besingen: „Bruder und Gefährte unter den geringsten Menschen“, „der in seinem Gott verborgen unser Friede ist geworden“, „der uns grüßt aus seiner Ferne, der uns anschaut aus der Nähe, wie ein Kind, ein Freund, ein andrer“. (Ebd., 101) Der uns zeigt, wie wir Menschen leben sollen in unserer Welt und wie wir leben können, „um zum Segen füreinander da zu sein“. (Ebd., 183)

3.

Wort, das dem Leben dient.

Lieber Huub Oosterhuis. Ihre Sprache, die uns ermutigt, eigene Worte zu finden, Ihr Schöpfen aus der Schrift, das sie zu einer bestürzend neuen Quelle für unser Fragen heute macht, helfen seit mehr als fünf Jahrzehnten Menschen, ihrer Hoffnung treu zu bleiben und sich nicht abzufinden mit gesellschaftlichen Verhältnissen, die jeden Augenblick ungezählte Opfer von Unrecht und Gewalt hervorbringen und die uns doch als eine Ordnung vorgegaukelt werden, die wir nicht ändern können.

In allem, was Sie singen und dichten und leise sagen, geht es Ihnen um nichts anderes als ein Leben, das lebendiger, vielleicht schwächer, aber zugleich oft stärker ist. Die Bibel ist für Sie das Buch, das uns am Leben hält, die Psalmen sind für Sie Lebenslieder, die Sie die unversöhnliche Hoffnung lehren, unversöhnt mit den Tatsachen, mit der Welt, „so wie sie nun einmal ist“, unversöhnt mit einem Zynismus, der unser Leben erstickt.

Wir glauben nicht mehr daran, dass auch nur irgendetwas in dieser Welt unumstößlich und naturnotwendig so ist: (…) Kindermord, das bittere Unrecht der Armut und als eine Folge davon, die furchtbare Gewalt. Wir haben vor, eine andere Welt zu schaffen, Schritt für Schritt, Tag um Tag. Wir ziehen eine Spur der neuen Welt durch diese alte hindurch.“ So haben Sie bei der Schlussfeier des Evangelischen Kirchentages in Hannover vor fast zehn Jahren Ihre Predigt beendet.

In der nun 15jährigen Tradition dieses ökumenischen Predigtpreises ist es ein ganz besonderes Glück, Ihnen, lieber Huub Oosterhuis, heute den Preis für Ihr Lebenswerk zu verleihen.

 

von Dr. Dietmar Bader

Bron: Predigtpreis