jul
20
2015

Meditatie ‘Ken je mij?’

Author //
Posted in // Ds. van Zanten

Vertrouw jij mij? Waarom? Kan ik jou vertrouwen? Waarom? Maar ik ken je niet, ik weet niet eens je naam.

Wat is vertrouwen? We vertrouwen op een goede afloop – of juist niet: “Ik vertrouw het maar niks.” De Dikke van Dale zegt over vertrouwen: “met zekerheid hopen, geloof in iemands goede trouw en eerlijkheid”. Waar halen we die zekerheid vandaan? En waarom hebben we geloof in iemands goede trouw en eerlijkheid?

We baseren het op ‘resultaten uit het verleden’. Ik ben een paar maanden geleden aangereden door een auto, toen ik al fietsend een rotonde wilde oversteken. Ik had voorrang als fietser en ik vertrouwde erop dat de automobilist de voorrangregels in acht nam en ik vertrouwde erop dat het goed ging, zoals het altijd is goed gegaan en zoals altijd de verkeersregels zijn gehouden door andere verkeersdeelnemers. In het verleden behaalde resultaten…

Vertrouwen heeft te maken met kennen. Je herkent een situatie en je weet hoe je moet handelen. Je kent mensen en weet wat je aan ze hebt. Je herkent een bepaald soort mensen, je vertrouwt op iemand omdat hij bij dezelfde club hoort, hetzelfde shirt draagt. Je weet hoe iemand is en daar vertrouw je op.

Ken je jezelf? Vertrouw je jezelf? Ben je zelf te vertrouwen? Of stellen we ons niet teleur? Wie kent zichzelf enorm goed? We zijn er koortsachtig naar op zoek, naar het zelf, naar authenticiteit. Dat zit in ons allemaal. Ik heb een liedje meegenomen waarin dezelfde vraag wordt gesteld: wie ben ik? Laten we daar nu eerst naar luisteren.

Trijntje Oosterhuis – Ken je mij?

Het lied begint met een refrein. Wie ben ik? Ben ik te vertrouwen? Wie ben ik en wie is de ‘jij’ in dit gedeelte?

Het eerste couplet → het gaat hierin over iemand die letterlijk van buitenaf kijkt. Er wordt een handreiking gegeven wie die ‘jij’ is uit het refrein. Maar het is nog een vraag, nog zoekend, aftastend. Is het iemand die totaal anders is dan ik? En die ik, dat is iemand die koud en hooghartig is, de ander is dat dus niet.

Het tweede couplet → het slaat terug op het eerste couplet: hier moet je naar kijken, hier woon ik, hier staat mijn huis, mijn levensbehoeften. Roep je? Hier ben ik! Je zoekt? Hier!

Het derde couplet → dit is een antwoord op de vraag uit het refrein. Het antwoord is één woord, een naam wat alles zegt. Iemand van buiten af, een mens die mij volledig kent, mijn zuiverste zelf is. Ik zou willen dat die iemand tegen mij zegt: ‘Ik ben jou, sterker nog: ik ben’. Is dat een herkenbare naam? Kennen we die naam ergens van?

Het vierde couplet → wie kent je zó goed? Voor wie is niets verborgen? Iemand totaal anders dan ik ben. Heb jij me gezien, bij de hand genomen, zonder dat je je voor mij schaamt? Is dat mij overkomen, door niet zomaar de eerste de beste? Zou dat niet veel te veel waar zijn, vraagt Trijntje zich af – en nee, dat is niet veel te veel waar, want het is een bewerking van psalm 139.

Lezen: psalm 139: 1 – 18 (volledige tekst, NBV)

In psalm 139 bezingt David de lof op God, Die hem overal ziet en Die hem in de moederschoot heeft gemaakt. Dit leerdicht drukt de verwondering uit van de psalmdichter voor de goddelijke vermogens. God kent nauwelijks al zijn daden, gebaren en gedachten (vs. 1-6); op geen enkele plaats is hij afwezig of ver weg van de psalmdichter (vs. 7-12); heel zijn bestaan (vanaf de dag van zijn verwekking tot aan die van zijn dood) is bij God bekend en ligt in zijn handen (vs. 13-18).

Vs. 7-12: er is voor de zanger geen enkele manier om te ontsnappen aan deze kennis: nergens in het heelal is een plek waar God niet aanwezig is om de gelovigen te leiden en vast te houden (vs. 7-10) en nergens is het te duister voor God om hem te zien (vs. 11-12). De neiging om te ontvluchten (vs. 7) zou te wijten kunnen zijn aan een schuldig geweten of aan een verlangen naar onafhankelijkheid, maar dat is onwaarschijnlijk: deze verzen scheppen juist vreugde in het feit dat God hem wil ‘leiden’ – waar hij alleen maar beter van wordt – en vasthouden. Er is geen plaats waar hij buiten Gods zorg valt (zie 139: 5).

Al verdween ik in de eindeloze ruimte (en we hebben gezien aan New Horizons hoe ver dat is, met Pluto, negen jaar en vier miljard kilometer ver), ook daar zou Uw hand mij geleiden. En al liep het uit op de dood, U bent daar, wat de aard van deze dood ook mag zijn.

Het leven kan tot een hel worden. ‘Maar al bedde ik mij in de hel – Gij zijt daar.’ (vs. 8) (…) In de diepten is Hij er en zijn hand geleidt mij. (Hij is immers zelf ook ter helle gegaan).

Hoe goed is het om te weten dat je gekend wordt. Dat er Iemand is die jou beter kent dan je jezelf kent, die jou niet laat vallen op momenten dat je jezelf misschien laat vallen, momenten waarop je twijfelt of wanhoopt aan jezelf. Want hoe vaak moeten we niet erkennen dat we ons zelf niet echt kennen, dat we niet weten wat er woelt in ons. ‘Ik weet niet wat in mij is’, zegt Huub Oosterhuis in zijn nieuwe, vrije vertaling van psalm 139, ‘hoeveel, hoe weinig’. Maar jij, vraagt hij aan de Eeuwige: ‘weet je mij beter dan ik?’ Er is iemand die met ons begaan is omdat zijn bestaan met het onze vervlochten is, vanaf de moederschoot. Hij is het die ons omgeeft en koestert, die ons warmte en geborgenheid geeft, een onontkoombare nabijheid, die ons niet oordeelt en veroordeelt, maar ons wel doorgrondt en peilt, die weet wat in ons gaande is, beter dan wij het zelf weten. Wij hoeven niet koortsachtig op zoek naar ons diepste zelf. Het is al gevonden en het is geborgen. Het is in vertrouwde handen, die ons niet laten vallen. Het is goed.

Tags // , , ,

Trackback from your site.

Leave a comment