jul
15
2013

Een van u is de Messias

In een abdij die moeilijke tijden doormaakte, woonden nog slechts vijf monniken, allen boven de 70; de zaak stond op uitsterven. In zijn nood besloot de abt raad in te winnen van een naburige rabbi. Wellicht kon hij hem adviseren zodat de abdij gered kon worden. De rabbi verwelkomde de abt hartelijk, maar toen deze hem het doel van zijn bezoek had uitgelegd zei de hij: “Ik weet hoe dat is. De Geest is uit de mensen verdwenen. Hier in de stad is het hetzelfde liedje. Er komt haast geen mens meer naar de synagoge.”

En de oude abt en de oude rabbi weenden tezamen. Daarna lazen zij enige paragrafen uit de Tora en spraken zachtjes over diepe dingen. Maar toen de tijd kwam voor de abt om afscheid te nemen herhaalde hij nog eens zijn vraag: “Is er dan werkelijk niets dat u mij zou kunnen zeggen, dat mijn stervende klooster kan redden?” “Nee, het spijt me,” antwoordde de rabbi, “alleen dit misschien: Eén van u is de Messias!”

In de dagen, weken, maanden die hierop volgden, dachten de monniken hierover na en vroegen zich af of de woorden van de rabbi een zin konden hebben. Voor ieder van hen viel wel wat te zeggen als mogelijke Messias, maar echt overtuigend was eigenlijk niemand. En de rabbi kan zeker mij niet hebben bedoeld, ik ben tenslotte maar een doodgewoon mens. Maar stel je voor dat hij toch mij bedoelt? Stel dat ik de Messias ben? O God, alstublieft niet ik! Ik kan toch onmogelijk zoveel waard zijn in uw ogen, of toch?

En terwijl zij zo nadachten begonnen de monniken als vanzelf elkaar met buitengewoon respect te behandelen, voor het geval de ander de Messias zou zijn. En met het oog op die minieme kans dat elk van de monniken zelf de Messias zou kunnen zijn, begonnen ze zichzelf met bijzondere hooghachting te behandelen. En de mensen die kwamen om te genieten van de schoonheid van de abdijkerk en gebouwen, voelden de uitstraling van buitengewoon respect die de vijf monniken begon te omgeven. De sfeer van heel de abdij was ermee vervuld, en het was geen wonder dat er jongeren kwamen om zich bij hen aan te sluiten.

 

Uit: Wil Kamminga, Een zee van leven.

 

Bron: Rick Timmermans

jul
14
2013

Broeder Dieleman – Duuzend Veugels

Wie benieuwd is naar mijn ontdekking van 2013: Broeder Dieleman, zonder meer. En waarom? Misschien kan ik dat het beste laten zien met een filmpje. Duuzend Veugels heet dit lied. Rond de bocht ligt er genade. Daarom.

Broeder Dieleman – Duuzend veugels

jul
14
2013

Rumah Saya

Vorige week schreef ik over mijn zwervende bestaan. Ik had het onder meer over het liedje Engjelushe van Stef Bos. Altijd maar onderweg, naar een nieuwe bestemming. Overal thuis, dus altijd een vreemde. Een verloren bestaan, zou je kunnen zeggen.

Een vergelijkbaar thema zit in het lied Rumah Saya van Doe Maar. Geschreven door Ernst Jansz, een Indo. Zelf geboren in Nederland, maar zich niet thuis voelend in het kale land. Verlangend naar het land van zijn vader. Maar ook daar als een vreemde worden aangekeken.

Zwevend tussen het moederland en het vaderland.

Ik zal niet zeggen dat Rumah Saya 1-op-1 op mij van toepassing is. Maar in literaire zin is het een mooi thema.

Doe Maar – Rumah Saja

jul
13
2013

Radio Nowhere

Vanmiddag was ik in Menaam, bij Radio Eenhoorn. Ik was daar met een missie. Over die missie misschien tijdens een ander moment. Zonder missie kom je niet zomaar in Menaam, zeker niet bij de zendmast van de omroep.

Radio Eenhoorn.

De uitzendingen worden verzorgd vanaf een voormalige boerderij net buiten het dorp Menaam. Dat dorp is onderdeel van de gemeente Menaldum. Een buurgemeente van de gemeente Leeuwarden. En met het weer van vandaag was het een prachtige dag om naar Menaam te fietsen.

Dus stapte ik op de fiets. Via Westeinde fietste ik in westelijke richting naar Menaam. Onderweg kwam ik een monumentje tegen voor een bermongeluk. Waarbij een aan jonge man is overleden. Zo gaat dat hier. Twee jongens in een auto, subwoover in de wagen, auto tegen boom. Het kan een tafereel van Daniël Lohues zijn.

Maar we zijn in Leeuwarden.

Even verderop fiets ik door Marssum. Een dorp met een kasteel, het Poptaslot. En een keukencentrum. Voor al uw keukens.

In Marssum valt niet veel te beleven, merk ik als ik dwars door het dorpje fiets. Ons kent ons. Geen visboer of een markt. Niet waar ik langs kom. Wel een kasteel. Maar dat had ik al verteld. En een kaatsveld.

Kaatsen is populair in Fryslân. Een onbegrijpelijke sport, net als cricket. Friezen en Engelsen begrijpen elkaar wel. Soms. Totdat ze het over de taal gaan hebben. Dan spelen de Friezen het hoog op. Daar kan geen Engelssprekende iets negatiefs over zeggen.

Moeten ze ook niet doen. Het Fries en het Engels  zijn neventalen. Dat had die Bonifatius goed gemerkt. Hij kon het evangelie in eigen taal in de Nederlandse provincie vertellen. Had hij het maar bij de blijde boodschap gehouden.

Awel.

Even verderop kom ik vlakbij Menaam. En bij Radio Eenhoorn moet ik zijn. Om de ingang van de studio te komen, moet ik wel om een terrein van de boerderij heen. Een goed gesprek volgde.

Uitkijkend over de Friese weilanden. Ook dat had het landschap van Lohues kunnen zijn geweest. De uitgestrekte velden. Met hier en daar een vlekje bomen. En een boerderij. Veel gras. Heel veel gras. En koeien, die het gras wegvreten. Een aantal tractors met grasmaaiers.

Voor wie een stad gewend is, lijkt het alsof Menaam tussen nergens en nergens is. En dat je daar dan middenin zit. In the middle of nowhere, dus. Wat dat betreft, was de soundtrack van vandaag Radio Nowhere van Bruce Springsteen.

Maar nee, zoveel poespas was er niet in Menaam.

Nee, Friezen blijven gewoon.

Moet je wel van hun taal afblijven. En van hun landerijen.

Ik had de banden vol met wind. Nee, ik heb ja niets te klagen.

jul
12
2013

Mussen

Mag ik eerlijk zijn? Ja, ik mag eerlijk zijn. Ik ben blij dat de tweede helft van de week wat koeler is verlopen dan de eerste dagen. Want de Hollandse hitte gaat me wel ver. Niet dat ik mij stoor aan het geklaag, waar wij Nederlanders om bekend staan.

Als er iets is dat wij goed kunnen, is het wel klagen over het weer. Het is nooit goed. Hollen of stilstaan, dat is het commentaar op het Nederlandse klimaat. Of het is ijskoud, of we hebben een hittegolf. Het kan natuurlijk slechter, dat heeft de lente van 2013 wel bewezen.

Die lente was natuurlijk van alles niets. Een paar keer een winterperiode. Nauwelijks zon. Vrijwel geen regen. Het wilde maar niet warm worden. En toen het eindelijk warm was, werd het direct van dat broeierige weer. Waarbij het zweet onder je oksels klotst als je twee keer je handen wast.

Nee, dat geklaag is mij vreemd. Want het weer heb je niet in de hand. Over zeuren heeft dus geen enkele zin. Behalve dan misschien een sociaal aspect: je hebt een gespreksonderwerp. Aan de andere kant: als je het gespreksonderwerp van het weer moet laten afhangen, kun je je ook afvragen hoe goed je relatie is met die ander.

Awel.

Ik had het erover dat ik blij ben dat het weer wat koeler is. Puur uit praktische overwegingen. Ik zweet namelijk nog al vlot, en dan is een warme broeierige dag niet prettig. En het is natuurlijk zielig als je ziet dat de mussen van het dak vallen.

Mussen.

Een bekende mus is Edith Piaf. Haar artiestennaam betekent ‘mus’. Omdat ze fladderde tussen microfoon en accordeon. Generaties zijn opgegroeid met de Franse zangeres. Ik ken Piaf eigenlijk alleen in de vertolking van Liesbeth List. Een jaar over vier geleden zag ik de gelijknamige musical in Emmen. Met List als Piaf.

In het Engels i een mus een ‘sparrow’. Johnny Depp speelt Jack Sparrow – Jaap Mus – in de filmreeks Pirates of the Caribbean. Een piratenboef uit lang vervlogen dagen. Net als de Franse Edith bestaat ook Jack niet meer.

Ook de Nederlandse Mus is niet meer. Conny. Bjina drie jaar geleden ontviel de RTL-journalist ons. Jarenlang was hij correspondent in Jeruzalem. Nooit kapotgeschoten. Maar bij terugkeer in Nederland stierf Conny. Tijdens een vakantie kreeg hij een hartaanval. De operaties mochten niet baten, in de nazomer verruilde hij het tijdelijke voor het eeuwige.

Bob Dylan zingt in een van zijn semi-gospels ook over mussen. I am hanging in the balance of the reality of man / Like every sparrow falling, like every grain of sand.

Elke mus is geteld. Net als elke korrel zand. Een hoopvolle gedachte. Kijk naar de gevogelte des hemels. Zijn wij mensen niet veel meer waard dan een eenvoudige mus? En zelfs die mus is door de Hemelse Vader geteld. Net als elke korrel zand. Zijn wonderen zijn te talrijk, als ik ze wil tellen, zie ik steeds meer.

En dat allemaal in Nederland.

Nee, ik klaag niet over het weer.

jul
11
2013

Trijntje Oosterhuis – Ken je mij?

Ken je mij? Wie ken je dan?
Weet jij mij beter dan ik?
Ken je mij? Wie ben ik dan?
Weet jij mij beter dan ik?

Ogen die door de zon heen kijken
Zoekend naar de plek waar ik woon
Ben jij beeldspraak voor iemand
die aardig is, of onmetelijk ver,
die niet staat en niet valt
en niet voelt als ik,
niet koud en hooghartig

Ken je mij? Wie ken je dan?
Weet jij mij beter dan ik?
Ken je mij? Wie ben ik dan?
Weet jij mij beter dan ik?

Hier is de plek waar ik woon
Een stoel op het water,
Een raam waarlangs het opklarend weer
Of het vallende duister voorbij vaart
Heb je geroepen? Hier ben ik

Ken je mij? Wie ken je dan?
Weet jij mij beter dan ik?
Ken je mij? Wie ben ik dan?
Weet jij mij beter dan ik?

Ik zou een woord willen spreken
Dat waar en van mij is
Dat draagt wie ik ben,
dat het houdt,
Ik zou een woord willen spreken
Dat rechtop staat als mens die mij aankijkt en zegt
Ik ben jouw zuiverste zelf,
Vrees niet, versta mij, ik ben, ik ben

Ken je mij? Wie ken je dan?
Weet jij mij beter dan ik?
Ken je mij? Wie ben ik dan?
Weet jij mij beter dan ik?

Ben jij de enige voor wiens ogen
Niet is verborgen van mijn naaktheid
Kan jij het hebben,
Als niemand anders,
Dat ik geen licht geef, niet warm ben,
Dat ik niet mooi ben, niet veel
Dat geen bron ontspringt
in mijn diepte
Dat ik alleen dit gezicht heb,
geen ander.
Ben ik door jou, zonder schaamte,
gezien, genomen,
door niemand minder?
Zou dat niet veel teveel waar zijn?
Zou dat niet veel teveel waar zijn?

Vertaling/bewerking van psalm 139

© Huub Oosterhuis, 2010

jul
10
2013

Beweging kan ook achteruitgang wezen

Vanavond keek ik naar het journaal. Eén van de eerste onderwerpen was de revolutie in Egypte. Voor de tweede keer in twee jaar tijd werd een president afgezet. Door een volksopstand. Anders dan bij het eerste protest, ging het bij het tweede protest om een democratisch gekozen president.

jul
09
2013

Verloren te leven

Omdat ik geen eigen gemeente heb, reis ik nog veel door het land. Maar ik kom altijd weer thuis. In Leeuwarden. Want de Friese hoofdstad is mijn uitvalbasis. Voor al mijn activiteiten. Het is prettig om ondanks het vele gereis een eigen stek te hebben.

Vossen hebben holen, de vogels hebben nesten. De Zoon des Mensen heeft geen plek om Zijn hoofd te rusten. Hoewel Hij woonde in Kapernaüm. En was opgegroeid in Nazareth in Galilea. Toch was Hij altijd opgejaagd.

Zo ben ik dus niet. Wel altijd onderweg – en in die zin lijk ik wel wat op mijn Werkgever. Met dit verschil dus, dat ik wel ’s avonds mijn hoofd te ruste leg. Op mijn eigen bed nog wel.

Omdat ik veel uit van huis ben, ben ik ook niet getrouwd. Niet omdat ik dat niet zou willen. Of omdat ik dat onverenigbaar met mijn functie als voorganger. Maar puur uit een praktisch motief: ik heb er weinig tijd voor. Of ik neem er weinig tijd voor. Zoiets kan natuurlijk ook.

Van de week vroeg iemand naar mijn huwelijkse staat. Er zijn toch genoeg meisjes vrouwen die als een hulp bij u passen, dominee? Terwijl ik die vraag hoorde, moest ik denken aan een liedje van Stef Bos, die zanger uit ‘het gereformeerde Veenendaal’.

In het lied Engjellushe bezingt Bos twee meisjes die hem aankijken. Bos schreef het liedje in een land uit –ik geloof- het voormalige Joegoslavië. Engjellushe en Marinella. In het eerste couplet introduceert Bos ze als volgt:

 

Ze zijn overal thuis

Dus altijd een vreemde

En ik weet wat het is

Om verloren te leven

Twee kleine meisjes

Kijken mij aan

Ze zitten daar samen

En ik zing hun naam 

 

Ik weet wat het is om verloren te leven. Ik leid geen verloren bestaan. Zo is het niet met mij gesteld. Maar ik snap wel wat Bos hiermee bedoelt. Altijd op weg, altijd maar aanpassen aan het nieuwe. En daarmee niet jezelf kunnen zijn, zodat je altijd een vreemde bent.

Zo voelde ik mij toen ik de vraag kreeg over mijn (toekomstige) huwelijksleven. Ik leef wat verloren tussen hier, nu, daar, toen, altijd, overal, onderweg, thuis.

Onrust.

Misschien dat die onrust wel weggaat als ik een vrouw aan mijn zijde heb. Maar daarvoor moet ik eerst in een diepe slaap komen. En het moet me een rib uit mijn lijf kosten. Hopelijk ben ik daar spoedig aan toe.

jul
09
2013

Franeker

Ik was weer eens in Franeker. In het Friese Elfstedenstadje heb ik een aantal herinneringen liggen. Niet alleen het optreden van Bob Geldof. De Ierse mensenrechtenactivist trad twee jaar geleden op in de voormalige universiteitsstad. Maar in dezelfde stad woonde ooit een vriendin van mij. Zodoende had ik vaak een missie in Franeker.

Dit keer was ik niet op weg naar Geldof. Of naar mijn vriendin. Dit keer was ik er voor volstrekt journalistieke redenen.

Ondanks mijn herinneringen, leek het niet alsof ik thuis kwam in Franeker. Ik had dat ook niet verwacht, maar de eerste hernieuwde kennismaking met de stad was weinig veelbelovend. De Franekers keken me aan alsof ze vuur zagen branden.

Franekers houden niet van ongeschoren schrijvers op roze nep-Cloxx.

In Franeker zijn afwijkende personen niet zo heel erg welkom. Eise Eisinga werd uit de kerk verbannen, toen hij een afwijkende gedachte had over de stand van de zon en de aarde. Een ketters idee dat de zon het middelpunt was in plaats van de aarde.

Nu wordt het planetarium van Eisinga geroemd tot in de verste streken van de wereld. Nog steeds draait zijn zonnestelsel binnenshuis.

Behalve het Planetarium is in Franeker nog een gedeelte dat veel met de zon te maken heeft. Op het plein naast de kerk en het voormalige weeshuis ligt een rond plakkaat. De zon als klok. Je kunt bij de desbetreffende maand staan waarin je leeft, en dan zie je hoe laat het is.

Je moet wel tijdens de zomertijd-maanden een uur optellen.

De zon leert ons veel, maar onze economie draait zijn eigen uren.

Even verderop is een Chinees Indisch Restaurant. Gouden Kom. Is dat een naam of niet, voor een Aziatische toko?

Je ziet het zo voor je. Sta je in de hal te wachten op je bestelde nummers, sta je je tijd te verdoen met het kijken naar de Gouden Kom. Zonder meer de inspiratie voor je maaltijd. Je wilt niet weten waar je bami goreng van is gemaakt.

In Franeker heb je ook het Kaatsveld van de PC. Het Sjukelân. Dé hoofdstad van de kaatswereld. Vanwege zijn ontwerp wordt het Sjukelân ook wel het Wembley van Franeker genoemd. Ondanks het verliezen van de eigen universiteit, heeft Franeker wel altijd ambities gehouden.

En dat is het stadsbestuur te prijzen.

Hadden meer steden maar zulke ambities.

En toch, de stad Franeker heeft dorpse streken. Gemoedelijk. Doe maar normaal, dan doe je al gek genoeg. Al die grootse zaken, zoals de Elfstedentocht, het Planetarium en het Sjukelân, die zijn eenmaal gegroeid. Door de geschiedenis. En daar doe je niets tegen.

Zoiets moet je ook niet willen.

Maar wie ongeschoren, met een korte broek en op roze Cloxx de stad binnenkomt, wordt met vreemde ogen aangekeken. Zoiets is niet des Franekers. Zo gedraag je je niet als je geboren en getogen bent in deze stad.

Ik ben dan ook niet in deze stad geboren en getogen.

jul
08
2013

De Veenhoop

Vanochtend was ik in De Veenhoop. Ik had een interview aan de Kanaeldyk. Ik wist niet dat dit gehucht bestond. Totdat ik er dus heen moest. Voor de FrieslandPost. Het interview verschijnt in oktober in het magazine. Dat duurt nog wel even.

De reis naar De Veenhoop duurde ook nog wel even. Als ik met het openbaar vervoer zou gaan. De onvolprezen website 9292.nl leerde me dat de reis naar De Veenhoop mij anderhalf uur zou duren. Vanaf het station van Leeuwarden.

Dit zou mijn reis moeten worden. Eerst met de bus naar Drachten. Dat was al veertig minuten. Vervolgens met de belbus vanaf het Knobeldorffsplein naar bushalte De Veenhoop. Uiteraard is die bushalte in De Veenhoop. Maar dan was ik er nog niet.

Nadat ik was afgezet in het immer pittoreske  gehucht, moest ik een half uur lopen. En dan was ik op de plek van bestemming.

Dat heb ik dus maar niet gedaan. Wat mij vooral tegenstond, was de combinatie van de belbus en het half uur lopen. Daar had ik weinig trek in. Zeker met dit weer. En dus trok ik met de auto naar De Veenhoop.

Zoals gezegd had ik in dit gehucht een interview. Over shiitake. Dat is een paddenstoel. En je spreekt het uit als sjie-taake. Een Aziatische paddenstoel. Het feit dat ik in De Veenhoop was, betekende twee vliegen met één klap.

Zwei fliegen mit einer kläppe.

De Veenhoop kenmerkt zich door het typerende Friese landschap. Veel platteland. Weilanden. Met daartussen kanaaltjes. Drainage-stromen. Plukjes bomen. Met her en der een boerderij. Het is een gebied waar meer bomen staan dan boerderijen.

Ik was een man met een missie. Op weg naar de shiitake-boer. Een leuk verhaal. Ik heb de paddenstoel geproefd. Het smaakte me naar radijs. Een bijzondere ervaring.

Dat heb ik dus gedaan in De Veenhoop.

Wat houd ik van Fryslân.